Seen things
Ik zit aan de bar van The Bowery Hotel, roer met mijn rietje in een glas icetea en kijk naar de mensen om me heen. Een acteur die ooit een Golden Globe won, maar nu alleen nog wordt gecast als ‘Man in Suit #3’, staart braindead naar zijn telefoon. Een gallery owner met vet haar en een cashmere coltrui probeert een meisje te overtuigen dat zijn expositie subversief is. Ze knikt, alsof ze weet wat dat betekent.
Ik draag een vintage denim shirt, een witte tee, een zwartleren riem en cowboy kicks die eruitzien alsof ze de subway, Times Square en een vechtpartij in een bar in Brooklyn hebben overleefd. Ze waren van iemand anders, ooit. Nu zijn ze van mij.
Dan loopt ze binnen. Mijn vriendin – of ex, of iets ertussenin. Haar arm rust losjes in die van een man met een Rolex en een wit linnen pak dat er duur en kreukvrij uitziet, alsof hij nooit ergens te lang hoeft te blijven.
Hij ziet me, knikt beleefd en kijkt dan naar mijn schoenen. ‘Nice boots.’
Zijn zonnebril hangt nonchalant aan de hals van zijn overhemd.
Ik haal mijn schouders op. ‘They’ve seen things.’
Hij lacht, alsof hij de grap snapt, maar dat doet hij niet. Hij weet niet dat deze boots haar ook hebben gezien. Op zondagochtenden met koffievlekken op de lakens. Op dinsdagnachten, in de regen op Prince Street. Op vrijdagen, toen we dachten dat we tijd zat hadden.
De avond vervaagt in een waas van halve gesprekken en te hard gelach. Iemand zegt iets over een feestje in een loft in Tribeca. Iemand anders vraagt of ik in tweede kansen geloof.
‘Second chances: sometimes given, sometimes taken’, zeg ik, en ik weet dat de moeilijkste stap niet het krijgen is, maar het benutten. Ik kijk naar mijn cowboykicks. Misschien zijn ze het enige hier dat echt is.